Vandaag op de tv

Terwijl de kandidaten van The Apprentice in Schotland aan de slag gaan, is tegelijkertijd op Netflix een film over de Schotse vrijheidsstrijd te zien.

   

Dat belooft wat voor de aflevering van vandaag.

NB: De in zijn vrije tijd fantasyverhalen schrijvende belastingadviseur vloog er in aflevering twee al uit, na een mislukte creatieve opdracht.

De Merel

Met vrienden die vijftig worden kom je weer oude bekenden tegen, die je soms vijfentwintig jaar of meer niet hebt gezien, maar daar zijn ze opeens en sommigen zijn heel weinig veranderd. Oude tijden herleven. Vroeger schreef je van die leuke stukjes, hoorde ik van verschillende kanten, waarbij de vraag ‘en nu dan?’ onbedoeld in de lucht bleef hangen.

Ik zocht in de kelder m’n archief op en wat schreef ik? Ik wilde bij een studentenvereniging in de filmcommissie, maar er was geen plaats, dus werd ik penningmeester en toen ik over het geld ging was ik daar opeens wel welkom. Etc. Leuk? Ja. Meestal wel. Soms hilarisch. Maar ook dingen die nu absoluut niet meer kunnen. Ik moest wel altijd m’n eigen podium creëren, jubileumboekjes, speciale uitgaven etc. Geen droog brood mee verdiend. Wel veel lol gehad.

Later zat ik in de tuin onder de pergola te lezen. Op één van de houten balken boven me streek een merel neer, met een torretje in de gele snavel. Neerziend op het nest een paar meter verderop, kijkt zo’n vogeltje even of er geen katten in de buurt zijn en vliegt dan door om de jongen te voeden. Ik geloof dat het ‘t mannetje is, dat dat werk doet.
Het was een moedige plek voor een nest, want onze tuin is een doorgangsroute voor katten die van het parkeerterrein áchter naar de straat vóór lopen. En merels zoeken hun eten op de grond.

Hoi, zei de merel tegen me. Daar keek ik van op. Ik zag de vrije val van het torretje dat eindigde als versnapering in een spinnenweb.
Ik complimenteerde de merel met het prille gezinnetje.
Dat is jou niet gelukt, zei de merel.
Ok.
Ja, dat had wat meer voeten in de aarde, dan bij jou, zei ik, maar zag dat de merel een beetje glazig keek; het kopje met het gele snaveltje ging een beetje vragend heen en weer en ik begreep dat de beeldspraak aan het beestje voorbij ging.
Er viel een korte stilte.
Denk jij nou ook, zei de merel, dat alleen afschaffing van de inhoudingsplicht pas echt een administratieve lastenverlichting voor werkgevers zal betekenen?
Mijn slipper trof een lege plek op de houten balk en het beestje was snel weg geweest want ik heb maat 46.

Even later zat het op de nok van het huis van de buren het hoogste woord te kwetteren en naar beneden te kijken. Zo zijn merels.
Op dat moment kwam een grijs gestreepte kat aangestapt, die parmantig op een veilige afstand ging zitten en zei: is het waar dat hier ergens een vogelnest zit? Het was de kat die vaker om ons huis loopt, een pootje op de lage vensterbank van de woonkamer zet en dan even naar binnen kijkt.
Aan de merel denkend aarzelde ik even maar zei toch, met een wild gebaar de kat verjagend: dat ga ik jou niet vertellen. Okee, okee, zei de kat en maakte zich op een drafje uit de voeten.

Een paar dagen later kwam ik ’s middags thuis en trof onder het nest een dode merel aan. Het was geen jong. Ik bekeek het lijkje en alleen aan de zijkant van het kopje was een wond, zodat ik concludeerde dat het niet door een kat was gedaan, ook omdat het pal onder het nest lag. De laatste tijd hadden er ook eksters en kraaien in de buurt gezeten. Ik begroef de merel op de plaats delict. Ik hoopte dat de omzet van de salarisafdeling voorlopig was gered.
Die avond hoorde ik een hoop gescharrel in de tuin en zag ik een egel die door de bladeren wroette. Ik vond dat het beste bewijs dat reïncarnatie bestaat en ook heel snel kan plaatsvinden. Op de foto die ik maakte was dat duidelijk te zien.
Dit jaar nestelden de merels bij de buren in de vuurdoorn naast de keuken. Een paartje zocht voedsel onder onze appelboom en onze tuin is nu de aanvliegroute. Ondanks de katten.


***
Martin Links, juni 2015

Knuffelzone

Na een lang debat in de gemeenteraad werd in onze stad een knuffelzone ingesteld. En dat op nog geen kilometer van ons huis.
Het was voor een democratische instelling een razend snelle beslissing, maar ja de verbeelding was toen nog aan de macht. Kleine christelijke partijen waren nog gewoon klein en zonder invloed van betekenis.
De Vraag of dit niet te ver ging werd eigenlijk beantwoord met niet ver genoeg en de suggestie dat er een grens werd overschreden bleek op de nodige onverschilligheid te stuiten. Het ging tenslotte niet echt om een vorm van betaalde liefde. Het was net iets meer dan een vriendelijke groet op straat. En wie kon daar tegen zijn?
Aldus: Voor een tientje kreeg je er een knuffel.
Er ging wel wat van uit, zo’n plek met allemaal mensen die elkaar omhelsden en aardige dingen tegen elkaar zeiden ook al waren ze vreemden. Het maakte me vooral nieuwsgierig naar hoe dat dan ging en op een avond begaf ik me naar de knuffelzone waar het op dat moment al een vrolijke boel was.
De vrouw die me een knuffel zou gaan geven was al wat ouder en dat beviel me wel. Ik was blij dat ik geen jong ding trof dat bezig was haar zakgeld aan te vullen.
De knuffel ging heel soepel en naturel.
Ik zei tegen de vrouw dat ik wel altijd in deze knuffel zou willen blijven en dat was gemeend.
De vrouw lachte en zei: ach jochie, er valt nog zoveel met anderen te knuffelen. En dat was maar al te waar. Naar later bleek.
Na m’n bezoek aan de knuffelzone viel me pas op hoe vaak mensen elkaar knuffels gaven. Overal zag ik mensen in allerlei vormen van gepaste innige verstrengeling en dacht dat die er vóór de knuffelzone niet zo waren geweest.
En ik merkte dat ik zelf ook wat soepeler in de omgang was geworden.
Van alle kanten kwamen berichten dat de knuffelzone een groot succes was en dat maakte me blij.
Ik kreeg een baan aan de andere kant van het land en verloor de knuffelzone uit het oog.
In een landelijke krant las ik dat na enige tijd, met de zone in volle gang, het besef rees dat degenen die de knuffels gaven, die misschien nog wel harder nodig hadden dan degenen die de knuffels ontvingen.
De vraag werd dus wie wie moest betalen. Een onverwacht verrassende uitkomst waar niemand het antwoord op wist. Een vrij uitwisseling zonder de overdracht van pecunia leek niet mogelijk, de een gaf de ander toch een dienst. En in die verwarring verdween de zone langzaam in de mist.
Nu ik weer in m’n oude buurt woon en over de klinkers loop waar eens de knuffelzone was, nu een bushalte waar forenzen opstappen of studenten die naar de Uithof gaan, komt ondanks de koude stenen en het kale karakter van het busstation, toch weer iets van dat warme gevoel van toen terug en kan ik een glimlach niet onderdrukken.

Martin Links, 20-9-2017

Dierendag 2018

Vanmorgen heb ik de fruitvliegjes in de keuken bestudeerd.
Het geval wil namelijk dat wetenschappers ontdekten dat fruitvliegjes zoveel op mensen lijken, en dat is handig voor onderzoek, las ik in de krant.

We hebben een landelijke keuken dus daar mag best een keer iets rondvliegen. Maar van fruitvliegjes weet ik dat zo net nog niet. Een paar van die beestjes en alle fruit begint te rotten. Ze hangen in een wolk te chillen, zoals pupillen bij voetbal in een kluitje op het veld rond de bal zwermen, dat dan weer wel. Een appel of een rijpe meloen is dan de bal.

Ik bekeek de vliegjes maar zag het verder niet.
Tot er een fruitvliegje een luide boer liet.
En tot mijn opluchting werd dat al snel gevolgd door een knal van een scheet.
Toen zag ik het. Er zat er ook een gekke bekken te trekken en anderen namen dat over.

Mensen doen zoiets niet. En dus heb ik maar even de Stofzuiger gehaald om het aantal vliegjes te beperken.

De Jeremiebrug

Ik ben blij dat ik naar de cursus Mobiliteit ben geweest ondanks m’n oververmoeidheid (goed is dat de docente aan het begin tegen snurken en slaapwandelen waarschuwt).

Die oververmoeidheid is het gevolg van een val van m’n fiets begin dit jaar, waardoor ik een schouderblessure heb opgelopen die m’n nachtrust breekt. Normaal zou ik dit misschien niet vertellen, maar er zit ook iets grappigs in: het bruggetje waarop ik onderuit ging heet de Jeremiebrug, een oud bruggetje dat een jaar geleden vanuit een ander deel van Utrecht is verplaatst naar m’n fietsroute. De naam van de brug klopt dus, proefondervindelijk getest. Brulbrug zou ook kunnen.

Ik dacht dat ik alle mogelijk gladde plekken op die route inmiddels kende, maar nee dus. Op een andere plaats, waar ik nu voorzichtig ben, zie ik ’s winters nog regelmatig een mountainbiker of een scootertje uit de bocht vliegen. Ik zat daar zelf een paar jaar geleden met m’n been onder m’n fiets gevouwen en weet nog, dat een schoolmeisje vroeg of het wel ging, en dat ik antwoordde dat alleen m’n ego gedeukt was.
In het park waar ik ’s ochtends doorheen fiets groeten de mensen elkaar en dat maakt het bijna dorps. Ook als ik in dat Maximapark hardloop groet iedereen elkaar: hardlopers, skaters, wielrenners, wandelaars. Dat maakt het dan toch een bijzondere plek.

Er zijn hier inmiddels zoveel huizen gebouwd dat ik wel eens vergeet dat ik in een dorp woon en een dorp verderop werk. Achter ons kantoor is in het oude gemeentehuis van Vleuten nu een stadskantoor van Utrecht. Dat is handig omdat het er nooit echt druk is. Ik was daar in december om m’n rijbewijs te verlengen; ik had nog zo’n roze vodje.
Vroeger liep je daar direct naar een balie. Nu is er een wachtruimte, waar je nummer wordt afgeroepen. Ik nam daar plaats. Er waren verder weinig mensen. Na mij kwam een moeder binnen met twee kinderen, die een paar plastic kuipstoeltjes verderop ging zitten en de kinderen gingen spelen. Na een tijdje kwam de beambte van de receptie achter zijn desk vandaan en vroeg aan de moeder of ze ervoor wilde zorgen dat de kinderen minder druk waren.
De vrouw was beduusd. De kinderen maakte bijna geen herrie, en dat vond ik ook. Er was echt niets aan de hand. Ze bleef beduusd.

Er slapen hier mensen, zei ik tegen haar.
Toen het muntje viel, zei ze: Ja, ja, dat is zo hè, hier bij de gemeente…De beambte ging terug naar zijn desk. De vrouw was er nog steeds niet helemaal gerust op.

Ik heb m’n rijbewijs wel normaal gekregen. Toen ik dit voorval aan een vriendin vertelde, zei ze: en die man stond er nog bij toen je dat zei? Lekker lomp is dat. Ze kent me al vanaf m’n studietijd.
M’n vader, die veertig jaar bij de gemeente Den Haag werkte en foto’s van (overwerkte) slapende collega’s mee naar huis nam, zei: Ja, ambtenaren horen te slapen, dat is het cliché, dat hoort zo. Hij moest lachen om de herinnering. Op bezoek bij een grote verzekeraar ontmoette ik een paar mensen die de conclusie bereikten dat het de ambtenaren zelf zijn die de grappen over collega-ambtenaren in stand houden. Ambtenarenhumor dus.
Ik denk overigens niet dat m’n val op de Jeremiebrug iets te maken had met m’n opmerking in die wachtruimte. Zo ver gaat dat (hopelijk) niet.

Martin Links (juni 2016)