Keuzestress

Gelijk met de envelop om mijn stem per post uit te kunnen brengen krijg ik de oproep om aan een bevolkingsonderzoek mee te doen.

Grappig dat de overheid vermeldt dat het stemmen per post fraudegevoelig is, wat niet waar schijnt te zijn als een clown in Amerika het roept.

Ik ben nu bang dat ik mijn poep naar postbus 20011 heb gestuurd en mijn stem naar het laboratorium. Over het geklungel waarmee ik de poep in het buisje krijg, met trillende handen, zal ik niet schrijven en ook zal ik kort zijn over de moeite die het me kost een partij of politicus te vinden die me niet voor de gek houdt.

Ik geloof bijvoorbeeld voor geen meter dat er meer huizen gebouwd gaan worden, omdat meer aanbod de prijzen drukt en mensen dat in hun portemonnee gaan voelen. Het levert gemeenten minder OZB op, gemeenten die het door decentralisatie financieel al moeilijk hebben en zelf locaties moeten bepalen waar die nieuwe woonwijken gaan komen. In Utrecht wordt nu vooral gekozen voor de bouw van extreem dure huizen in het centrum, door een links gemeentebestuur.

Volt heeft een zekere charme, als jonge partij. Ik ben een Europeaan. Ik houd net zoveel van Ieren als van Duitsers, Italianen en Portugezen als van Nederlanders. Soms ben ik meer voor dieren dan voor mensen; ik denk nog steeds dat dieren geen partij voor mensen zijn.

En Rutte, wat heeft die het goed gedaan, niet toch, ja dan. Maar rutte is onvoltooid verleden tijd, van rutten. Ik heb het niet op rechtse partijen die kiezers paaien met een sociaal-economisch verhaal. Prik daar doorheen en je ziet wat je er aan andere ideeën bij krijgt als je je zo laat kopen. Je krijgt met het kind het badwater erbij.

Ik ben jong genoeg om me DS’70 te herinneren. Tegenwoordig lijkt iedereen op Bas de Gaay Fortman.

We leven in een geleide democratie, schrijft Martin Sommer vandaag. Ambtenaren besturen ambtenaren en worden gecontroleerd door ambtenaren.

Keuzevrijheid? In een verouderde samenleving is vrijheid gewoon rustig genieten van je bezittingen, je eigen leven en je herinneringen aan een jeugd waarin de verbeelding wel aan de macht was.*

Na alle bedenkingen doe ik doorgaans een positieve keuze, omdat ik ook veel goeds ontdek. Die keuze wordt beloond. Het lab belt dat ze mijn stem hebben doorgestuurd.

Van de politiek heb ik nog niet vernomen wat ze met mijn poep hebben gedaan.

*****

*NB: Over democratie en vrijheid verschijnt in april een interessant boek van Annelien De Dijn.

De snelste weg per fiets

Het NRC had vandaag een prachtig stuk over Utrecht als fietsprovincie en de drukke fietsspits in het centrum van de stad. Daar stond een kaartje bij dat ik niet zo goed begreep, omdat de snelste weg blijkbaar met een boog is. Voor de auto geldt dat misschien, maar met de fiets zou ik dat afraden.

De wolf is terug (2)

De terugkeer van de wolf heeft vandaag de filosofie bereikt. In haar column in de Volkskrant haalt de filosofe Marjan Slob een Britse collega, Thomas Hobbes, aan die zei “De mens is de mens een wolf”, waarna ze via weerwolven en terugkerende IS-strijders bij Franciscus van Assisi uitkomt, die (apocrief) met de dieren sprak en tegen de wolf zei: “Broeder, ik ken uw honger.”

Weerwolven: De wolf is terug in Nederland en de maan was vorige week voller dan ooit, is dat toeval? Op de foto de maan boven De Meern, gezien vanaf Castellum Hoge Woerd.

Honger: De wandeling naar het klooster Errero delle Carceri en dan terug naar Assisi over de Monte Subasio is canoniek qua wandelbijbel; Umbrie wordt niet voor niets het hart van Italie genoemd. In Assisi, na een bezoek aan de Basiliek van St. Franciscus, het klimmetje naar het voormalige kasteel niet vergeten en vervolgens dineren op het terras van Di Properzio, met uitzicht over stad en streek, en dat hart van Italië wordt tastbaar en de smaak onvergetelijk. (Geef me een plaats in Italië en ik denk aan het eten daar, of de plaatselijke wijn, wie is dan de wolf?)

De wolf is een wild dier, en de kans dat je er een tegenkomt is misschien even groot als het winnen van een loterij, maar vraag het de Canadees, die op gezette tijden een zwarte beer door de tuin ziet kuieren, of de vrouw uit Alabama, die een vioolspin of zwarte weduwe in het keukenkastje tegenkomt, het Franse gezin dat graag die schattige cheetah wil aaien, of de Australier die een zeldzame Taipan treft: je moet er mee weten om te gaan als ze even hun schuwheid verlaten, en om dat te weten moet je er mee zijn opgegroeid.

Zonder die ervaring is het wilde dier (en ook die gevluchte IS-strijder) een vreemde voor ons geworden waarvan we alleen kunnen gissen naar de honger. Sprookjes wijzen daarin niet de weg, maar het is een kwestie van onderzoeken en stap voor stap leren om die ervaring weer op te doen. De vraag is of je als maatschappij dat risico wilt nemen, of genoegen neemt met een reactieve overheid, die pas maatregelen neemt als iets verschrikkelijk misgaat. En: zijn wilde dieren wel gevoelig voor repressieve tolerantie?

Even slikken

Over m’n lichaam heb ik de laatste tijd veel geleerd en niet alles is even mooi daarbinnen. De namen van die onderdeeltjes zijn er dan ook naar. Neem het woord slijmbeurs, dat als je het goed bekijkt wel precies klopt, maar oppervlakkig gezien lijkt het alsof er iets op een glibberige manier wordt verhandeld.

Gelukkig is er de buitenkant nog, waar dan weer niet iedereen het mee eens is, maar dat mag.

Over de binnenkant is weinig twijfel mogelijk. Dat wordt vastgelegd met een röntgenfoto, echo of desnoods een mri-scan. Wel eens een echo gezien? Er zijn dus mensen die van die grijze vlekken iets kunnen maken. Heel knap.

Zo werd er ooit bij me een niersteen gevonden die zich helemaal had verscholen, wat ik best snap; wilde niet op de foto, dook weg voor de echo, maar werd uiteindelijk gegrepen door een vergruizer, waarna er weinig van reste.

Toen ik de niersteen net had liep ik krom van de pijn bij mijn huisarts binnen. Ze keek even naar me en zei: oh, kleine niersteen, want ik liep nog en als de steen groter was geweest had ik op de grond gelegen en hadden ze iemand met een verdovingsspuit langs moeten sturen.

Die niersteen had buiten m’n schuwheid ook m’n natuurlijke traagheid overgenomen. In mei aangetroffen, in september na een lang pijnlijk proces in stukjes naar buiten gekomen. Met een tik tegen het porselein van de toiletpot geschoten…en ik was zo blij. Eerst heb ik er een foto van gemaakt en daarna heb ik het in een leeg pestopotje gedaan en in het ziekenhuis bij het lab afgegeven. ‘Ik heb een cadeautje voor je,’ zei ik nog tegen de assistente.

Sommige grappen moet ik niet maken. Na een onderzoek bij de oogarts, waar een gekleurde stof in m’n ogen werd gespoten, vroeg ik de knappe assistente waarbij ik een nieuwe afspraak moest maken, of ze wilde kijken of er nog iets van die kleurstof was achtergebleven. Ze begon hard te lachen maar zag m’n onschuld en zei, nee hoor meneer, er zit niets meer. In een oogziekenhuis kijken ze niet meer op van grappen over ogen.

Bij mijn huisarts is tegenwoordig het antwoord op alles: houding. De slijmbeursontsteking die maar niet weg ging kwam omdat m’n houding, voorovergebogen, niet goed is. Hetzelfde bij mijn kortademigheid: omdat m’n houding niet goed is, gebruik ik m’n longen niet volledig.

Ik belandde bij een heel knappe fysiotherapeute die me ademhalingsoefeningen gaf. Ze was getrouwd met een militair. Op zich misschien niet zo handig om voor de behandeling van hyperventilatie naar een adembenemende vrouw te gaan, maar het is wel goed voor de discipline waarmee je de opgegeven oefeningen doet.

Nu heb ik een fysio die niets moet hebben van de houding-hype. “Misschien past dat wel bij je, heb je altijd al een beetje een kromme rug gehad,’ zei ze. En warempel, toen ik terugkeek naar foto’s van toen ik een jaar of twintig was, zat er ook al iets van een kromme houding in.

Nu doe ik toch maar aan yoga om m’n houding beter te krijgen. En ik doe nog de oefeningen die ik in een eerder stadium heb geleerd: een kwartier op bed zitten en, met je ogen dicht, onder uit je longen ademen; en een kwartier lang uitgestrekt op een matje met een opgerolde handdoek tussen m’n schouderbladen. Terwijl ik daar mijmerend lig denk ik dan: wat kan me nog gebeuren: ik werk aan m’n houding.

 

Martin Links

De Meern, december 2016; bewerkt december 2018

 

De wolf is terug…

Nu de wolf zich weer vestigt in ons land, zullen Roodkapje en haar familie ook snel komen. Vervolgens wordt het lied met de dolle rit van drs. P. (troika hier, troika daar) ook vanzelf weer waar.

Geruststellend is misschien dat een Nederlandse jager in Duitsland een wolf heeft doodgeschoten, omdat het dier ‘zijn jachthonden aanviel en niet van wijken wilde weten’, een vredesoverleg dat blijkbaar uit de hand liep. Zouden er in Nederland schapenboeren zijn die zich ook zo’n ongelukje wensen?

Elke keer dat ik zo’n wolvenbericht lees komt onwillekeurig de muziek van Prokofiev boven; het stuk Peter en de Wolf, grijsgedraaid toen ik klein was, waarschijnlijk nog op 48 toeren. Het gaat over het jongetje Peter dat na wat angstige momenten op een listige manier de wolf in zijn achtertuin vangt. In het stuk heeft elk personage of dier een eigen muziekinstrument, ook de kat (klarinet), de eend (die door de wolf werd opgegeten; hobo) en het vogeltje (dwarsfluit); de grootvader (fagot), Peter zelf (strijkers) en niet te vergeten de wolf (hoorns) en de jagers (pauken). Op een of andere manier maakte dit stuk meer indruk op me dan Carnaval der Dieren van Saint Saens, dat in die tijd ook veel op stond, maar waarvan de muziek me bijna niet is bijgebleven. Wikipedia meldt dat de proloog van Disney’s Belle en Het Beest op een deel van dit stuk is gebaseerd. Dat is dan een sprookje waarin Roodkapje weer wat ouder is (maar misschien wat hardleers).

De muziek van Peter en De Wolf blijft dan een tijdje in m’n hoofd hangen, een beetje zoals Carnaval van De Efteling, maar dan zonder de irritatie.

De (over- over- over- over….groot-) opa van Jesse Klaver

Als in dit jaar de 230ste verjaardag van de Franse Revolutie van 1789 wordt herdacht, komt vaak ook in één adem de kleine revolutie van 1830 voorbij, misschien vanwege een beroemd schilderij van Jean Schnetz: Combat près de l’Hotel de Ville (1830)*. Dat schilderij intrigeert me omdat ik in één van de figuren op de barricade Jesse Klaver herken. Zou het echt kunnen?…Van het schilderij is dit de uitsnede:

Het gaat om de man met het geweer. Ik heb er nog een keer naar gekeken en volgens mij is hij het echt. Toch?

 

 

*

(bronvermelding)

 

Dé vraag van 2019

Naar ik begrijp was dé vraag van 2018, in het kader van famous first lines: Zou je me naar links of naar rechts swipen?’

In 2019 wordt het niet zozeer de vraag wie er met je meekijkt als je aan het swipen bent, maar op welke dag het zal zijn dat je Tinder of Second Love opent, en dat blijkt dat er al veel voor je geswiped is op basis van je persoonlijke swipehistorie.

Laat je verrassen in 2019.

Heilige Huisjes

Het bericht dat de kerken in Nederland leeg lopen kan nauwelijks nieuws meer heten, toch brengt Trouw dat bericht deze week weer eens.

Bijzonder is dan dat bij ons in de buurt twee nieuwe kerken verrijzen, op een afstand van ongeveer een kilometer van elkaar. Er wordt neem ik aan niet voor leegstand gebouwd.

https://i1.wp.com/nieuwbouw.leidscherijn.gkv.nl/images/impressienieuwbouw/ooghoogte%20entree.jpg?resize=419%2C171

De eerste nieuwbouw, aan de Alendorperweg, behoort aan een kleine Vrijgemaakt Gereformeerde gemeente en vervangt het oude kerkje dat inmiddels tot een woonhuis wordt verbouwd. Ik fietste daar wel eens langs als de kerkgangers buiten stonden. Je kunt op hun website zien dat ze razend enthousiast zijn over hun nieuwe onderkomen.

De tweede nieuwbouw, aan de rand van het Amaliapark is een Gereformeerde kerk, die van de Catharijnekade in hartje Utrecht komt.

Uit ervaring weet ik dat voor een kind de gang naar een kerk heel spannend kan zijn, zeker rond de Kerst, met alle sfeer en drukte, en alle verlichting. De lichtjestocht in De Meern, met zingende groepjes op het binnenterrein van Castellum Hoge Woerd en een levende kerststal in de kinderboerderij brengt dat gevoel weer terug.

De kerk uit mijn dromen heb ik een paar jaar geleden in Rijswijk teruggevonden. Ik was vier of vijf, en het is één van mijn vroegste herinneringen, van een wit kerkje in de sneeuw. We waren gehaast. Misschien waren er woorden gevallen, maar er vielen thuis eigenlijk nooit woorden. Wellicht was het een spannende tijd, waarin mijn ouders het allebei moeilijk hadden. Iets moet grote indruk op me hebben gemaakt. M’n jongste broertje was er net, denk ik. Het was ook niet onze vaste kerk, waar we ’s zondags meestal heen gingen. Het was een eenmalig bezoek aan een onbekend kerkje, vlakbij het magische Julialaantje, een oud weggetje waar grote landhuizen aan lagen, die de fantasie prikkelden, en waaraan het hertenkamp lag. De vroege herinnering heeft er een droombeeld van gemaakt. Ik heb het nog aan m’n vader gevraagd, maar die stond er niets van bij en zei: “Ma, die had het vast geweten”. Nu ik het kerkje terug heb gevonden, blijkt het destijds ook nieuw te zijn geweest.

Voorheen Chr. Geref. Moriakerk, Laan te Blothinge 2b, Rijswijk (bouwjaar 1961)

Op zoek naar mijn kerstgevoel kwam ik niet alleen de herinneringen uit m’n kindertijd tegen, en ook niet zozeer het oude sentiment dat het altijd Kerst zou moeten zijn, in sfeer, intenties en beleving (altijd vrede etc), maar ook het idee dat ik een paar jaar geleden had en dat ik eigenlijk al weer een beetje kwijt was: Namelijk dat Kerst volledig verkeerd in het jaar valt. Wie kón dat zo plannen? Zeker uit het plan- en budgetprogramma van *PIEP*.

Er is wel wat te zeggen voor een feest van licht in de donkerste tijd van het jaar, dan valt het licht het meest op, maar toch. En ik snap ook wel de logica achter het plan om heidense feestdagen in de christelijke kalender te integreren, zodat de overgang naar de nieuwe religie niet te groot is. Maar dat is een oud argument.

Kerst valt net in een tijd dat mensen vlak voor 1 januari een hoop werk af moeten hebben, in verband met veranderingen in het nieuwe jaar, en zorgt daarmee voor extra werkdruk bovenop de stress om het Kerstfeest goed te regelen voor familie etc. Verder gaat het er bij Kerst om een geboorte te vieren, nieuw leven dus, en alleen daarom al is het voorjaar een veel betere tijd voor Kerst. Ik denk aan half februari, maar misschien is half maart nog beter. De lente begint; alle groen loopt uit; in de natuur is nieuw leven in aantocht. Nú is het nog een lange, koude, donkere tijd van eind december naar het begin van de lente. Na het feest van licht volgt dan een periode van duister; eigenlijk kan dat niet. Half februari is er ook meer kans op sneeuw, aan de andere kant breekt half maart ook weer de zon voelbaar door. Ik zou dolgraag een keer barbecueën met Kerst in plaats van die eeuwige kalkoen, zonder daarvoor naar het zuidelijk halfrond te moeten reizen.

Pasen, Hemelvaart en Pinksteren verhuizen dan natuurlijk naar het najaar. Bijkomend voordeel: de periode waarin de kerken het nieuwe testament behandelen wordt veel langer, van drie naar zes maanden. Dan hebben ze daar meer tijd voor verdieping. En er zit meer ruimte tussen Sinterklaas en Kerst: minder cadeaustress! In de sectoren waarin ik gewerkt heb is het najaar ook een veel betere tijd voor feestdagen. Nu vallen er al zoveel in het voorjaar, voor de aangiftedatums.

Dan is dit toch ook mooi meegenomen: er kunnen allemaal oude liederen op de schop en er is plenty ruimte voor nieuwe liederen over Kerst.

Het lijkt me een win-win situatie.

Ik denk nog na over de juiste datum voor Oud en Nieuw, maar het lijkt me dat dat nog wel even zo kan blijven.