Kerst 2018

De kleine tengere man die me in het centrum van Doetinchem aansprak, naast de overvolle terrassen, had zéker het zwerversgen. Op intuïtie weet je bij het eerste contact al dat je met een ex-junk te maken hebt. De onderliggende ervaring is dat je op station Utrecht op één dag vier keer dezelfde junk tegenkwam met steeds op dezelfde manier dezelfde vraag. Met een zekere weerzin zal je nu ook de vraag om een euro gaan afslaan.

‘Mag ik jou iets vragen?’, en het wat verbeten ‘Nee, sorry’ op de automatische piloot. En waarom? Is het de onderdanige vraag, de hulpbehoevendheid die afstoot, of is het omdat mensen slaan op iets wat te dichtbij komt en waarin ze teveel van zichzelf herkennen?

George Orwell heeft het, als hij een Londense tramp uit de Crisisjaren beschrijft, over ‘een abjecte figuur, met een zwalkende loop, kromme rug en afhangende schouders, waaraan je kunt zien dat hij eerder een klap zal ontvangen dan één zal geven.(1) Murw geslagen en verslagen mensen. “Als zwervers slechter zijn dan andere mensen,”schrijft hij, “dan is dat het resultaat en niet de oorzaak van hun manier van leven.”

Enige tijd geleden stond een reportage in de krant over mensen met een hoge opleiding die alles kwijt raakten, dakloos werden en aan het zwerven gingen. De strekking was, dat deze mensen niet verwachtten dat zoiets met hen kon gebeuren vanwege hun scholing.

Misschien maakt opleiding juist naïef. Slimheid en intelligentie bieden geen garanties. Een academische titel maakt niet immuun voor tegenslagen. Een hoogopgeleide raakt niet aan de alcohol of andere drugs, krijgt geen depressies, verliest niet baan, vrouw en huis tegelijk, is de gedachte. Verbaasd en in verwondering toekijkend, gebeurtenissen op hun beloop latend omdat je niet gelooft dat het je kan gebeuren, en uiteindelijk te laat bij het zoeken van hulp. Of alles gedaan wat je kon om het onheil te voorkomen en dan verrast worden als toch gebeurt wat je al die tijd vreesde.

Naïviteit kan vaak een redding zijn, zoals Thomas Acda vandaag in het AD meldt, samen met zelfspot en relativeringsvermogen, maar in dit geval dus niet.

Maar waarom mensen uiteindelijk gaan zwerven? Met een sterk of zwak karakter heeft het niet te maken, onder zwervers komt beiden voor. Het is verleidelijk om het aan de genen te wijten, het zwerversgen, dat bij een samenloop van omstandigheden zwerven als resultaat geeft.

Ik kom uit een tijd dat er nog volop werd gelift, zeker door studenten, en dacht aanvankelijk dat zwerven een goedkope manier van doelloos reizen was. Mijn beeld van zwerven was gevoed door boeken waarin beginnend schrijverschap, alcoholisme of socialisme mensen voortdreef.(2) Ze sprongen op het dak van een trein om er duizend kilometer verderop pas weer af te komen in een nieuwe plaats waar misschien lag wat ze zochten. Drank en vrienden waren er in ieder geval. En de politieke discussie verbond beiden.

Zie in de ‘stomme’ zwart-wit films uit die tijd lange sombere, zwijgende rijen staan. Voor de legers zwervers in de jaren twintig en dertig, het gevolg van massa-ontslagen in een collectieve crisis, was het zwerversbestaan een eindstation. In de opvangcentra kregen ze net genoeg eten om niet te sterven, maar er van leven konden ze niet en ze verzwakten zienderogen. Ze scharrelden net genoeg geld bij elkaar voor een volgende slaapplaats en een waterig soepje. Die ontslagen troffen zowel arbeiders als witte boorden.

George Orwell vond in diepe armoede een motivatie voor zijn schrijverschap. Armoede kende hij zelf al: afkomstig uit de upper middle class, met een opleiding aan Eton, moest hij vaak uitgaven doen om zijn stand hoog te houden, waar zijn inkomen als schrijver lang niet voldoende voor was.(3)

In de huidige geïndividualiseerde maatschappij worden collectieve ontslagen juist een persoonlijke crisis, als iemand vol verbazing door de mazen van het sociaal vangnet valt. Het is die persoonlijke crisis die vervolgens de krant haalt. We lezen het verhaal van één mens liever dan een verhaal over een heel volk.

Voor de kleine tengere man die me in het centrum van Doetinchem aansprak, was zwerven niet meer een eindstation. “Kijk,” zei hij, “ik heb allemaal nieuwe kleding en het gaat goed met me. Ik ga werken.” En hij vroeg om een euro. Maar daar voegde hij aan toe dat hij de dag ervoor in een park in Arnhem nog door vier andere zwervers was beroofd. Dat was jammer, want hij zag er echt beter verzorgd uit. Hij sprak netjes, maar of hij hoog was opgeleid heb ik niet gevraagd. De toevoeging van de beroving verzwakte zijn verhaal, zodat ik hem de euro weigerde, op de afwijzende ‘ik echt niet’ manier waarop je zwervers meestal geld weigert. Vervolgens voelde ik me daar niet trots op, maar eerder licht geïrriteerd. Hij leek op de goede weg.

Ik liep door en nam de trein naar huis, op de gewone manier, niet door er bovenop te klimmen. In het boek dat ik las kwam de hoofdpersoon, een zeebioloog, een zwerver tegen die hem geld vroeg met een soortgelijke zwakke smoes en de bioloog zei: “Je verhaal is zo slecht, je zult het geld wel hard nodig hebben,” en hij gaf hem een paar dollar (4).

Dat kon dus ook.

Het verschil met mijn eigen ontmoeting was wel dat die bioloog de zwerver kende omdat hij hem wel eens een klusje liet doen voor zijn laboratorium, maar toch, die andere benadering beviel me ergens wel.

Op m’n werk vertelde ik van het voorval in Doetinchem en wat ik daarna in de trein las, omdat de combinatie me verbaasde, en de collega die tegenover me zat zei: “Je kunt het nooit goed doen. Als je geen geld geeft voel je er slechter door en als je wel geld geeft voel je je ook niet beter.”

Een keer op weg naar huis, langs de Leidsche Rijn, stond bij de Stadsdambrug een vrouw die de weg kwijt leek en toen ze me aansprak stopte ik, natuurlijk bereid de weg te wijzen. “Meneer,” zei ze, “Ik heb vijf euro nodig voor de nachtopvang en ik ben al zo moe omdat ik zwanger ben en ik moet nog zo’n eind.”

Ik keek naar haar, ze zag er heel moe uit, maar aan haar postuur kon ik niet zien of ze zwanger was. Misschien was ze alleen maar fors gebouwd. Ik besloot de vrouw het voordeel van de twijfel te gunnen. Ik wist niet of de nachtopvang in Utrecht geld kost, maar dacht aan de tramps in de jaren dertig in Londen, die van nachtopvang naar nachtopvang liepen en steeds een paar schilling moesten betalen, om vervolgens als vuil te worden behandeld, gaf haar de vijf euro en wees haar de weg naar het centrum. Ik had met haar te doen omdat ze eerst nog over de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal moest.

Ik voelde me er eigenlijk niet slechter door.

In juni van het jaar daarop zou ik met m’n vader mee gaan naar zijn dermatoloog, in een kliniek op een industrieterrein in Doetinchem. Vroeg die ochtend, nog tijdens de spits, bleek op Utrecht Centraal de trein naar Arnhem niet te rijden; bij Wolfheze was er een persoonlijk ongeluk gebeurd. Bussen werden niet ingezet. Via Den Bosch moest worden gereisd. Op het perron bleek echter dat er ook geen treinen naar Den Bosch gingen door een storing. Op goed geluk pakte ik toch maar de trein naar Wolfheze en daar bleek dat er inmiddels wel bussen waren. De vertraging viel mee, eigenlijk had ik maar een half uur verloren.

Gelukkig ging het goed vooruit met m’n vaders huidaandoening.

Op de terugweg, nog trots op m’n pa; hoe helder hij in het gesprek met de arts was, en hoe rustig en duidelijk hij antwoordde en zijn vragen stelde, op zijn 90ste verdorie (ik zou het zelf niet beter doen), remde de trein bij de binnenkomst van station Ede-Wageningen plotseling en stond abrupt stil.

Via de intercom werd om een arts geroepen.

Na een paar minuten konden we de trein aan de achterkant verlaten, maar moesten langs de trein naar de uitgang van het station. Op gepaste afstand heb ik over de rand van het perron gekeken en zag hoe hulpverleners onder de trein naar het slachtoffer zochten.

Bij de bushalte van de streekbus naar Veenendaal stonden een paar meisjes die hadden gezien hoe de vrouw voor de trein was gevallen, de schok en de verdwazing nog in hun blikken, met hun woorden op zoek naar houvast in een onwerkelijke gebeurtenis, nog vol ongeloof.

Later was op internet te lezen dat het toch een zelfmoord betrof.

Het treinverkeer lag stil. Op een station verder bleek ook nog geen trein te rijden. De trein die er stond reed, zonder de deuren te openen, terug richting Utrecht. Op het perron, bij de kaartautomaat, probeerde een zwerver me voor een tientje een ov-chipkaart te verkopen. Mo was zijn naam. Hij liet zijn hand zien, waarvan de muis open lag en het roze vlees zichtbaar was. Hij had geld nodig voor het ziekenhuis. Zo kwam Slumdog Millionaire in Veenendaal-De Klomp. Ik duwde hem twintig euro in zijn gezonde hand, zo erg wilde ik van hem af zijn. Roepend dat ik een engel was maakte hij zich uit de voeten. Hij riep iets naar een andere junk en beiden verdwenen uit zicht.

Terwijl ik op de bus naar Veenendaal West wachtte zag ik hem weer en hoe hij uit vreugde in een lantarenpaal klom en zijn donkere vriend een paar danspassen maakte.

Geen moment spijt gehad van mijn twintig euro.

Nu geef ik de verkoper van Straatnieuws, die in ons winkelcentrum zijn vaste plek heeft, af en toe een paar euro, en soms gooi ik een paar munten in het bakje van een straatmuzikant. Die doen tenminste wat. Dan mogen ze een slecht verhaal, of een keer een gesprongen snaar hebben. Laat het zwervers zijn, soit.

En eerlijk gezegd voel ik me daar prima bij.

Voor Orwell gold dat hij door zijn kennismaking met zwervers zijn vooroordelen verloor: “Ik zal nooit meer denken dat zwervers dronken schooiers zijn en zal van een zwerver ook geen dankbaarheid verwachten als ik hem geld geef, en ook niet meer verbaasd zijn als het mensen zonder werk aan energie ontbreekt; ik zal ook geen lid worden van het Leger des Heils, mijn kleren verpanden, of een bedelbriefje weigeren (…). Dat is het begin.”

De basis bij de ontmoeting met de zwerver c.s. is eigenlijk de vraag: wat zou ik zelf willen als ik in die situatie zou verkeren? Maar omdat er zoveel mensen zijn die op straat een beroep op je goede wil doen, moet je daarin een keuze maken. Pas maakte iemand me heel eenvoudig blij met de opmerking, dat datzelfde ook voor vluchtelingen geldt: als je uit je huis wordt verdreven, dan wil je toch ergens, op een plaats waar vrede is, worden opgevangen? Door alle politieke debat was ik eigenlijk die basis al een beetje kwijt.

 

(1) Down and Out in London and Paris – George Orwell

(2) USA – John Dos Passos; On the Road – Jack Kerouac

(3) The Road to Wigan Pier – George Orwell

(4) Canary Row – John Steinbeck

 

Rondjes vliegen

De regering wordt het nog niet eens over vliegveld Lelystad, waarmee de opening in 2020 onzeker wordt. Enige tijd geleden stonden de voorgestelde vliegroutes in de krant en wat me daarbij vooral intrigeerde was de lus bij Lochem (hoe komen die vliegtuigen daar?).

Ik zou niet blij zijn met een vliegtuig dat steeds rondjes boven m’n woonplaats draait. Toen dit jaar een kleine wijziging in de routes van Schiphol plaatsvond, werd er plots veel meer gevlogen boven West De Meern, waar best wat over werd geklaagd. Hoewel de vliegtuigen al een redelijke hoogte hadden, waren ze tot in Oost De Meern goed te horen.

 

Tijd van leven

In de Aldi in Vaals geeft Vodafone het ‘welkom in Duitsland’ bericht, blijkbaar is een Aldi Duits grondgebied, zoals een ambassade of een consulaat. (Ik kom weinig in Aldi’s)

Maar:

Ik ben dit jaar

Elke maand

Een week

In het buitenland geweest

Maar in Ierland nog het meest

Bijzondere dagen

Die ik niet snel vergeet

 

Het is misschien niet helemaal waar

Niet alle maanden was ik weg

Niet altijd een week

Maar zo voelde het wel

En het tekende mijn jaar

 

Trouwens, na een dag op pad

Leek elk uitje al veel langer

Zo werd één dag er twee, of drie een week

Een maand een jaar

Een jaar de tijd van mijn leven

Waarvan de beelden diep gegrift

In mijn netvlies achterbleven

 

De rest van de tijd

Zat ik vooral op mijn eigen planeet

Waar ik met m’n achtergrond streed

En toch de details van 2018 nog weet

Gelukkig heb ik nog de foto’s als getuigen

 

In de zonnestralen van Toscane rende ik m’n rondje op de muur van Lucca en zag het lentegroen ontluiken

De Dom van Florence vanaf de campanile

 

Ik sprak de schilders in St. Ives, die daar komen om het licht te zien

 

South West Coath Path (Cornwall)

Deelde bij Stonehenge m’n verwondering met duizend andere nieuwsgierigen

En zag hoe historici in stil Salisbury de Magna Carta bewaken (de Russen kwamen – met vergif)

 

Strandbeesten bij Scheveningen (ga dat zien)

 

Adrigole (Ierland)

The Kerry Way

Old Library, Trinity College (Dublin)

 

De vogelspotter op Texel vertelde welk zeldzaam vogeltje hij zocht (het was geen merel)

 

De Meern, Vlindertuin (Maximapark), en de lucht in oktober

 

Brugge!

 

Holset in december (Limburg)

 

 

 

 

 

Sportman

Pas hoorde ik nog iemand vertellen over wat ik zijn Al Bundy Moment noem. Menig man heeft zoiets, waarbij hij in een belangrijke sportwedstrijd (veel publiek) op een beslissend moment een winnend doelpunt maakt, bij voorkeur in een finale op de middelbare school.
Hoe langer geleden hoe beter.
De winnende touchdown, na een lange sprint en veel ontweken tackles; een strak schot van grote afstand, in de kruising natuurlijk; in een lange run de winst op de 1.000 meter pakken; op het spannendste moment vier keer wijd gooien om de honken vol te krijgen; of, vanaf de middellijn, na een perfect zesje, de bal in de korf werpen.
Dat moment gaat dan voor altijd in de herhaling en komt op feestjes terug waar het voor hilariteit zorgt, óf in een stilte valt waarin iedereen net de aandacht verloor.
Ik geloof dat ik daar minstens twee van heb.
Maar de precieze details herinner ik me nu niet meer.
Cruciaal voor het Al Bundy moment is dat de herinnering het groter heeft gemaakt dan het eigenlijk was. En er zit een zekere bluf in het hervertellen.
Het sportmoment dat me echter het meeste bijstaat is die keer dat ik een speler, die al in de lucht hing om een bal te schieten, net onder zijn knie raakte, waardoor hij, gelanceerd, áchter me neerkwam. Als ik er aan denk voel ik nog de ‘ooooh’ die door het publiek ging. En mijn verbazing toen ik achter me keek en daar die speler zag, die vervolgens zonder pijn opstond en ook nog probeerde de scheidsrechter van een rode kaart voor mij af te houden.
Hoe ik hier op kom? Ik zag net de aflevering van Married to Children waarin de kinderen aan Peggy vragen of Al vroeger echt zo’n goede sportman was.
‘Nou’, zegt Peggy, eens zag ik hem zes tackles ontwijken en met zijn linkerarm met een beweging bij twee man de tanden er uit slaan, maar ze kregen hem uiteindelijk wel te pakken en sleurden hem terug naar het altaar. Anders waren we nooit getrouwd geweest. Ja, hij was een echte sportman, zei ze, maar ‘he’s never been any good’…
Dat bedoel ik maar.

Nasi complet

Bij het afgieten van de rijst heb ik het al. Door de gaten van het vergiet spoelen teveel rijstkorrels weg. En nu heb ik het ook met de klein gesneden prei, die ik onder de stromende kraan was.

Even overweeg ik het zielige prutje, dat inmiddels het putje van de gootsteen heeft bereikt, gewoon wél in het eten te doen; ik denk dat niemand het zal merken, maar ik heb die dag ook al de logeerkamer schoongemaakt en het sop daarvan kan nog niet zo ver weg zijn gespoeld.

Als ik nasi kook begin ik altijd met de rijst. Die laat ik dan afkoelen voor ik haar met de kruiden bij de bijna gare kip en groenten doe. Voor zover ik weet is dat de enige manier om een droge nasi te krijgen. Net gekookte, dus vochtige, rijst geeft vaak een klef resultaat, een mislukt eten dat dan wel smaakt, maar me geen voldoening geeft.

Ik kook old school nasi omdat ik alle recente culinaire toevoegingen zoals bulgur, couscous, spelt, quinoa, kikkererwten en dergelijke even zat ben, en af en toe naar eten van vroeger verlang. En het is m’n vrije dag en we krijgen eters. Zodoende.

Net als toen zo vaak de tafel op de studentenflat, is het kookeiland nu ook een chaos. Ik heb uit gewoonte teveel pannen en bestek gebruikt en ook bij een goede wokpan wil er wel eens wat naast vallen.

Maar ik heb nasi gekookt en geniet van m’n vrijheid.

De vaatwasser draait inmiddels en plotseling zoemt m’n telefoon met het bericht dat de logees later komen en eerst naar de gele M gaan. Bij verhuizingen en dierentuinbezoek is dat toch favoriet en ik neem aan dat vuurwerk halen in België ook in die categorie valt.

Eigenlijk is het berichtje geen verrassing. Het bespaart me de moeite aan een paar beginnende pubers uit te leggen dat old school nasi een culinair hoogtepunt is. En het scheelt me de komende week waarschijnlijk een kant-en-klaar maaltijd, die ik vaak haal als ik laat uit m’n werk kom.

Ik keer terug naar m’n boek dat nog open gevouwen onder de pergola ligt; ik heb nog even voor de hel losbarst en ik dompel me onder in de aanloop naar de Battle of Clontarf, waar Ierse koningen de strijd met Noormannen zullen aangaan. Na honderd bladzijden taai Engels vallen de puzzelstukjes eindelijk op hun plaats.

Na de snoeibeurt in april is de tuin in een oase van groen geëxplodeerd. De boom waar de merels ooit in nestelden, en die in januari bij een storm omwaaide, begint weer leven te vertonen. De rode acer is nu vol in blad. De blauwe regen is na jaren stilstand niet meer te houden en de eerste bloemen komen. Uren ben ik bezig geweest om de lange strengen om de palen van de pergola te wikkelen en dat werpt nu zijn vruchten af. De sering staat vol in bloei met geuren die de tuin vullen. Er is weinig wind. Ik heb de Sonos van stal gehaald en het is alsof de muziek, Summertime, and the living is easy, het groen van de tuin doet bewegen.

Met de geur van de sering in m’n neus begin ik de nasi en de bijgerechten op te warmen. Ik bak vier eieren en laat de dooiers heel.

Waarom in juni al vuurwerk in België moet worden gehaald ontgaat me eigenlijk. Een kwestie van de prijs en de juiste relaties waarschijnlijk.

M’n vrouw komt thuis en is blij verrast met m’n kookexplosie. Met een hand houdt ze haar lange haar tegen, met de ander tilt ze de deksels op, snuivend aan de geuren.

De nasi is een feest voor twee geworden.

Dan gaat de bel en staat haar vriendin uit Schoorl voor de deur, met haar jongste, die vol vuur is van het gekochte vuurwerk en het alleen daar over wil hebben. De oudste is wagenziek en wil niet uit de auto komen. Iets klopt er niet met het beeld van een twaalfjarige ADHD-er die stil in de auto blijft zitten. Die moet zich echt beroerd voelen. Hij wil alleen maar naar huis, begrijp ik.

Ik kijk naar haar en zie dat ze zich daar al bij neer heeft gelegd, hoe ze zich ook had verheugd op de logeerpartij. Haar berusting wordt ook ons deel. Vroeger had ik dat zwak gevonden, maar nu zie ik hoe sterk het eigenlijk is om iets los te laten en hoeveel moed het kost je aan de situatie aan te passen. Er komt zeker weer een keer. En anders gaan we zelf wel naar Schoorl. Dat is iets waar ik me op kan verheugen, want het is een van de mooiste duingebieden die ik ken.

Een kop koffie voor de rit verder gaat dan maar.

De cappuccino staat te dampen. Ik denk aan het jochie in de auto en het vuurwerk in de achterbak.

De tv staat aan. Kassa heeft een item over onveilige gasmeters, de presentatrice en een expert winden zich op over de stugge houding van de vertegenwoordigster van de netbeheerder, die de risico’s bagatelliseert, en met een schok realiseer ik me dat ik ook zo’n brief van de netbeheerder heb gehad, met dat de gasmeter onmiddellijk moet worden vervangen. Al effe terug inmiddels. Maar waar is die brief gebleven?

Ik loop de gang in en denk dat ik een gaslucht ruik. Het laatste wat ik zie is dat het oudste jochie uit Schoorl voor de deur staat. Hij ziet er echt slecht uit, grauw en met wallen onder zijn ogen. Zijn hand gaat naar de deurbel…

De deurbel die een vonk in de meterkast zal geven.

Maar nee, hij heeft door de ruit in de voordeur mij ook gezien en trekt zijn hand terug. Ik gebaar dat hij even moet wachten en draai snel de hoofdkraan dicht, voor ik de deur voor hem open doe.